Puzzelverhalen

Week 1

Week 2

 

Verhaal1 - 2 - 3 - 4 - 5

Verhaal1 - 2

Verhaal van week 1

 

Hotel Onsafé staat midden in Amsterdam. Van oudsher was het een café, genaamd Ons Café. Toen Pierre, de grootvader van de huidige uitbater, vanuit Frankrijk zijn zwangere geliefde volgde naar Amsterdam, kocht hij het café. Pierres vader had in het hartje van Parijs een karakteristiek hotelletje gerund, populair onder alle lagen van de bevolking, in binnen- en buitenland. Pierre wilde dat ook. Het café verbouwde hij om naar een hotel dat niet zou misstaan in Quartier Latin. Het halletje stond vol snuisterijen en de muren hingen vol fotolijstjes van beroemdheden die er nooit waren geweest. Op één na, vertelde Pierre aan Marcèl, zijn kleinzoon. Frank Sinatra was langsgekomen, vertelde hij graag.
‘In welke kamer sliep hij?’ vroeg Marcèl.
Dat zijn opa daar nooit antwoord op gaf, viel hem niet op. Hij was te vol van alle verhalen en zeker van het feit dat hij ooit het hotel van zijn opa zou overnemen.
Pierre werkte in zijn hotel, terwijl zijn vrouw als zangeres aan de weg timmerde. Dat deed ze niet onverdienstelijk. Ze waren ruim vijftig jaar samen en kregen één kind. Een zoon, de vader van Marcèl en in zijn geheel niet geïnteresseerd in het hotelwezen.

De vrouw van Pierre overleed in 1989, net na de val van de muur in Berlijn. Een jaar na het overlijden van zijn vrouw, nam Pierre afscheid van het leven, van Amsterdam en van zijn geliefde hotel. In een briefje dat hij bij de receptie achterliet, schreef hij zijn liefde achterna te gaan, net als 50 jaar geleden. Het hotel gaf hij aan Marcèl die met zijn twintig jaar te enthousiast aan de taak begon. Van Pierre hoorde niemand meer iets terug.
Marcèl runt zijn hotel nu dertig jaar. In de eerste tien jaar leunde hij op het succes van zijn grootvader. Rijke mensen kwamen er slapen, verliefde stelletjes vonden er hun toevluchtsoord en beroemde mensen liepen nog steeds langs. Langzaamaan verslapte zijn focus.
Een hotel runnen is niet zo romantisch als hij het zich had voorgesteld. Elke dag zijn de kamers vies. Elke dag wordt het ontbijt geserveerd. Elke dag is er wel een medewerker die niet helemaal snapt wat zijn takenpakket is. Nu hij zeker twintig werknemers de laan heeft uitgestuurd, vindt hij geen nieuwe kandidaten meer die aan zijn lijst met eisen voldoen. Schoonmaken, receptiewerk, koken, reserveringen aannemen, alles doet hij ondertussen zelf. Hij komt niet meer toe aan het grote werk zoals reclame maken en het onderhoud van het hotel. Verval, dat is het goede woord. Marcèl weet dat zijn hotel aan het vervallen is. Zijn gasten zijn onwetende toeristen en koopjesjagers. Ook de gasten die al langskwamen toen Pierre er nog de scepter zwaaide, vereren Onsafé soms met een bezoek. Nostalgische mannen die langs de grachten wandelen, weemoedige vrouwen die terugdenken aan verloren geliefdes die verdwenen in het gedruis van de stad, ze verblijven niet in Marcèls hotel, maar in de herinnering aan het hotel van Pierre.
Een einde is precies waar dit hotel behoefte aan heeft. Het is 15 maart 2020 17.45 uur als deze gedachte zijn hoofd vult. Het hotel heeft dan precies 5 gasten in 5 kamers, geen andere medewerkers en 1 lift. De trap wordt sinds 5 jaar gerenoveerd en is niet begaanbaar. De lift brengt alle gasten, één voor één, naar de tweede verdieping. De enige etage die nog in gebruik is, de enige etage waar het tapijt weggesleten is en voetstappen op het hout hoorbaar zijn. De enige etage die vanaf de derde te bereiken is met een trap. Wat toevallig vandaag mooi uitkwam voor een van de gasten die claustrofisch is. De eenpersoonslift was voor haar een te grote uitdaging. Via de brandtrap kon ze de derde verdieping bereiken en via een hotelkamer de gang op en de trap af naar haar kamer. Marcèl sloot de hotelkamer met de branduitgang af, mijmerend over de hoop dat er geen brand zou uitbreken. Niemand zou de trap nog kunnen bereiken. Hij weet dat het hotel vaker Unsave dan Onsafé wordt genoemd. ‘Hotel Unsave, daar moet je niet te zijn.’ Dat wordt achter zijn rug gezegd en soms ook recht in zijn gezicht.
De gasten zitten in hun kamers. De rust om hem heen is als een oase. Op tv lacht een nietszeggende jongeman hem toe en prijst een reis aan. Een verre reis waar je gelukkig van wordt. Marcèl wil dat ook: reizen. Misschien ontmoet hij een vrouw onderweg. Iemand die hem accepteert voor wie hij is, een vijftig jarige, iet wat gezette, soms te veel zwetende, maar altijd goede intentie hebbende man. Iemand die het niet erg vindt dat hij het levenswerk van zijn familie heeft verpest. Iemand waar hij oud mee zou kunnen worden en waardoor hij zijn eenzame bestaan kan afsluiten. En afsluiten is precies wat hij ook nu moet doen.
Voor de laatste controle dwaalt hij over de begane grond, van het restaurant naar de centrale hal en naar de lift. De lift die zijn opa uit Parijs had laten komen en had geplaatst op een plateau dat met een paar treden te bereiken is.
Zijn schoenen trekt hij uit. Een geheim genot dat alleen mogelijk is als iedereen uit zijn buurt is. Met zijn tenen voelt hij het dikke tapijt dat ooit rood kleurde en de gang opfleurde. Nu is het een donker, dik stuk stof dat zijn glans is verloren, net als alles in het hotel. Hij schuifelt blootsvoets terug naar de eetzaal, waarbij hij langs de garderobe komt en drie klapdeuren passeert. Wat zijn grootvader bezielde om het restaurant zo ver weg te moffelen, weet hij niet. Hij loopt door de eetzaal en checkt achterin voor de laatste keer het toilet. Eén toiletrol prijkt er op de wastafel. De enige die nog aanwezig is in dit toilet. De overige rollen zijn verdeeld over de gasten. Meer heeft hij niet. Dankzij de Coronavirus is wcpapier niet meer verkrijgbaar. Hamsteren, heet dat, hamstergedrag. Veel mensen doen het, maar iedereen zegt van niets te weten. Hij gooit zijn handen in de lucht.
Eenmaal in zijn kantoor lacht er geen jongeman hem meer toe. Het zijn twee ministers die hem vertellen dat het Coronavirus zware maatregelen vragen. De horeca moet sluiten. Snel zet hij de tv uit. ‘Prima, dan serveer ik geen ontbijt,’ mompelt hij.
Met zijn vinger klikt hij de intercom aan. Op de wekker ernaast schijnen de letters hem tegemoet. 18.02 uur.
‘Beste gasten.’ Zijn stem galmt door het hele hotel. ‘Beste gasten,’zegt hij weer. ‘Vanaf nu zijn er geen medewerkers meer aanwezig in het hotel. Bij de receptie ligt een briefje met mijn telefoonnummer. Als er een echte spoedsituatie is, kunt u bellen. Morgenochtend wordt er geen ontbijt geserveerd. De horeca is gesloten vanaf nu, zegt de regering. En tot slot, er is beneden nog één rol wc-papier. Wees er dus zuinig mee en hamster niet. Bon soirée.’